Het circuit van Monaco, met zijn smalle straten en iconische haven, is een uniek spektakel op de Formule 1-kalender. De wagens razen langs appartementen, casino’s en, voor ruim twintig seconden per ronde, direct langs het water. Het is een beeld dat de vraag oproept: is er ooit een auto in de haven beland? Het antwoord is ja, en het gebeurde maar liefst twee keer. Wonder boven wonder overleefden beide coureurs het bizarre incident zonder serieuze verwondingen.
De Grand Prix van Monaco wordt al sinds 1929 verreden, maar het duurde tot de oprichting van het officiële wereldkampioenschap Formule 1 voordat de eerste coureur een onvrijwillige duik nam. Deze incidenten markeren een tijdperk in de sport waarin de risico’s onvergelijkbaar waren met vandaag, en waarin de overlevingskans van een coureur soms afhing van puur geluk en de eenvoud van het ontwerp van de auto.
Ascari’s dramatische duik in 1955
De eerste die het overkwam, was niet de minste. Tweevoudig wereldkampioen Alberto Ascari verloor in 1955 de controle over zijn Lancia bij het naderen van de chicane na de tunnel. Het moment was extra dramatisch: Ascari had zojuist de leiding in de race overgenomen na het uitvallen van Stirling Moss. Met nog twintig ronden te gaan in een race die destijds maar liefst honderd ronden duurde, leek de overwinning binnen handbereik. In plaats daarvan maakte zijn wagen een salto en stortte in het havenwater.
De redding van Ascari was te danken aan een factor die vandaag de dag ondenkbaar is als veiligheidskenmerk: de volledig open cockpit van de wagens uit de jaren vijftig. Dit stelde de Italiaan in staat om snel uit zijn zinkende auto te klimmen. Het was, zo stelt de historie, ongeveer het enige positieve veiligheidsaspect van de Formule 1 in die tijd. Stand-by duikers, toen nog ‘frogmen’ genoemd, hielpen hem verder in veiligheid. Zijn Lancia lag echter op de bodem van de haven.
Hawkins herhaalt het kunststukje in 1965
Precies tien jaar later, in 1965, gebeurde het ondenkbare opnieuw op exact dezelfde locatie. Ditmaal was het de Australische coureur Paul Hawkins die met zijn door een privéteam ingeschreven Lotus de chicane miste en in het water belandde. Net als Ascari wist Hawkins op eigen kracht uit zijn auto te ontsnappen voordat deze naar de bodem zonk. Hij zwom ongedeerd naar de kant. Een opmerkelijk detail is dat Hawkins, ondanks zijn avontuur, de enige Australische coureur was die tijdens die race punten scoorde.
Een ongekend risico in een ander F1-tijdperk
Deze twee incidenten staan symbool voor een tijdperk waarin de Formule 1 een fundamenteel andere sport was. De nabijheid van de haven was een geaccepteerd en zichtbaar risico, waarvoor men met de middelen van die tijd voorzorgsmaatregelen trof, zoals de aanwezigheid van duikers. De open cockpits, hoewel ze coureurs blootstelden aan talloze andere gevaren, bleken in deze specifieke, unieke scenario’s een levensredder te zijn. Het stelde Ascari en Hawkins in staat om te ontsnappen aan een lot dat anders vrijwel zeker fataal was geweest.
Sinds de crash van Paul Hawkins in 1965 is geen enkele Formule 1-auto meer in de haven van Monaco terechtgekomen. Hoewel de baan nog steeds rakelings langs het water scheert, hebben decennia van evolutie in veiligheidsnormen, van de auto’s zelf tot de barrières langs het circuit, de kans op een herhaling tot een minimum beperkt. De verhalen van Ascari en Hawkins blijven daardoor een spectaculaire en bijna mythische voetnoot in de rijke geschiedenis van de Grand Prix van Monaco.



