Het is vandaag exact zeven jaar geleden dat een van de meest ambitieuze projecten in de recente autosportgeschiedenis op een pijnlijke mislukking uitliep. Op 19 mei 2019 werden tweevoudig Formule 1-wereldkampioen Fernando Alonso en het machtige McLaren op vernederende wijze geëlimineerd tijdens de kwalificatie voor de Indianapolis 500. Een combinatie van pech, onervarenheid en een reeks blunders zorgde voor een dieptepunt in de carrière van de Spanjaard en een flinke deuk in de reputatie van het team uit Woking.
De jacht op de heilige graal van de autosport
Na zijn vertrek uit de Formule 1 eind 2018 had Fernando Alonso één allesoverheersend doel: het winnen van de Indianapolis 500 en daarmee het voltooien van de legendarische ‘Triple Crown of Motorsport’. Deze onofficiële eretitel is voorbehouden aan coureurs die de Grand Prix van Monaco, de 24 uur van Le Mans en de Indy 500 op hun naam schrijven. Tot op de dag van vandaag is Graham Hill de enige die hierin slaagde, met zeges in de jaren zestig en zeventig.
Alonso had al twee van de drie juwelen in zijn bezit. Zijn overwinningen in de straten van Monte Carlo in 2006 en 2007, gecombineerd met zijn Le Mans-zege in 2018, brachten hem op de drempel van de autosportgeschiedenis. Zijn eerste poging op de Indianapolis Motor Speedway in 2017 was veelbelovend; hij reed in de slotfase in de kopgroep mee voor de overwinning, totdat een motorstoring zijn race vroegtijdig beëindigde. De snelheid was er, de potentie was duidelijk. De terugkeer in 2019, ditmaal met een volledig eigen McLaren-fabrieksteam, moest de kroon op zijn werk worden.
Een keten van catastrofale fouten
Wat een zorgvuldig voorbereide aanval op ‘The Brickyard’ had moeten zijn, ontaardde al snel in wat het best omschreven kan worden als een comedy of errors. De problemen begonnen toen Alonso zijn primaire auto zwaar beschadigde bij een crash tijdens de trainingen. Een dergelijk incident is niet ongebruikelijk op de verraderlijke oval, maar de reactie van het team legde een pijnlijk gebrek aan voorbereiding bloot. De reserveauto, cruciaal in zo’n situatie, was niet direct beschikbaar op het circuit.
In een bijna ongeloofwaardige gang van zaken bevond het reservechassis zich in de fabriek van partnerteam Carlin, waar het opnieuw gespoten werd. De reden? De auto was oorspronkelijk in de verkeerde tint oranje geleverd. Deze logistieke blunder kostte het team kostbare tijd op de baan en was een teken aan de wand dat de operatie van McLaren niet het niveau had dat nodig is om te slagen in de extreem competitieve omgeving van de Indy 500. De combinatie van een gecrashte auto en een afwezige reservewagen zette het team direct op een bijna onoverbrugbare achterstand.
De ultieme vernedering: ‘bumped’ uit de race
Het unieke kwalificatiesysteem van de Indy 500 is meedogenloos. Met een startveld dat beperkt is tot 33 auto’s, vallen de langzaamste deelnemers af. In 2019 stonden er 36 wagens op de inschrijflijst, wat betekende dat drie coureurs na de kwalificatie hun koffers konden pakken. Na de eerste kwalificatiedag bevonden Alonso en McLaren zich in de gevarenzone, bij de coureurs die op ‘Bump Day’ moesten strijden voor de laatste startplekken.
De climax was even pijnlijk als dramatisch. In een rechtstreeks duel om de laatste startrij werd de wereldberoemde combinatie van Alonso en McLaren verslagen door een parttime team met een veel kleiner budget. Het beeld van een verslagen Alonso, uitgeschakeld voor de grootste race van Amerika, ging de wereld over. Het was de ultieme vernedering: niet alleen de Triple Crown-droom was uiteengespat, maar een F1-wereldkampioen en een legendarisch team waren simpelweg niet goed genoeg om zich te kwalificeren. Deze dag in 2019 staat in de boeken als een harde les dat naam en reputatie niets waard zijn op de genadeloze oval van Indianapolis.



